Bijlage Natuur & Techniek

Overzicht lesmodules 

  1. Wat is natuur & techniek? 
  2. Rijken 
  3. Eencelligen en schimmels 
  4. Voortplanting bij planten 
  5. Voortplanting bij dieren 
  6. Voortplanting bij de mens 
  7. Groei en verzorging 
  8. Spijsverteringsstelsel en uitscheidingsstelsel 
  9. Bloedsomloop 
  10. Skelet en spieren 
  11. Ademhalingsstelsel 
  12. Zenuwstelsel 
  13. Zintuigen 
  14. Gezonde voeding 
  15. Erfelijkheid 
  16. Evolutie 
  17. Aanpassingsgedrag 
  18. Fotosynthese 
  19. Voedselketen 
  20. Ecosystemen 
  21. Fasen 
  22. Eigenschappen van materialen 
  23. Energie 
  24. Elektriciteit 
  25. Licht en kleur 
  26. Lichtbreking 
  27. Geluid 
  28. Krachten 
  29. Meten en waarnemen 
  30. Ons zonnestelsel 

Leerdoelen en kernbegrippen

01 Wat is natuur en techniek?

Na deze les kunnen de studenten:

  • een omschrijving geven van de inhoud van het vak natuur en techniek; 
  • enkele voorbeelden noemen van onderwerpen die bij dit vak aan de orde kunnen komen; 
  • uitleggen wat organellen, cellen, weefsels en organen zijn; 
  • een cel beschrijven als een zelfstandig functionerende eenheid; 
  • de belangrijkste onderdelen van cellen benoemen en enkele functies daarvan toelichten.  

Kernbegrippen: biologie, levensverschijnselen, natuurkunde, scheikunde, cel, organismen, eencellige, organellen, celmembraan, celkern, celplasma, celwand, bladgroenkorrels, vacuolen, weefsel, orgaan, organenstelsel.

02 Rijken

Na deze les kunnen de studenten:

  • kenmerken van planten en dieren gebruiken om ze te classificeren en kan daarbij het begrip soort toepassen. 
  • de onderverdeling van de vier rijken beschrijven en enkele voorbeelden herkennen en beschrijven. 
  • enkele voorbeelden van de verdere onderverdeling van de vier rijken herkennen en beschrijven. 

Kernbegrippen: bacteriën, schimmels, sporenplanten, wieren, zaadplanten, dierenrijk, skelet, symmetrie, eencelligen, sponzen, holtedieren, wormen, weekdieren, geleedpotigen, stekelhuiden, gewervelden, classificeren, ordenen, soort, rassen, determineren.

03 Eencelligen en schimmels

Na deze les kunnen de studenten:

  • de voortplanting bij schimmels uitleggen; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: paddenstoel, vorming sporen, versmelting, eencelligen, schimmels, sporenplanten, mossen, korstmossen, vaatplanten.

04 Voortplanting bij planten

Na deze les kunnen de studenten:

  • organen van planten noemen en de relatie tussen vorm en functie toelichten; 
  • uitleggen hoe de voortplanting bij planten verloopt; 
  • uitleggen hoe de ontwikkeling van planten verloopt. 

Kernbegrippen: bol, knol, uitlopers, enten, stekken.

05 Voortplanting bij dieren

Na deze les kunnen de studenten:

  • uitleggen hoe de voortplanting bij verschillende soorten dieren verloopt; 
  • een verband leggen tussen gedrag van dieren om zich voort te planten en de rol van hun omgeving daarin; 
  • kenmerken van dieren in verband brengen met de wijze van bevruchting; 
  • de belangrijkste organen en weefsels die van belang zijn voor de voortplanting bij dieren noemen en uitleggen welke functie zij hebben. 

Kernbegrippen: paren, paringsdrang, inwendige bevruchting, uitwendige bevruchting, cloacadieren, eierlevendbarende dieren.

06 Voortplanting bij de mens

Na deze les kunnen de studenten:

  • uitleggen hoe de voortplanting bij de mens verloopt; 
  • de onderdelen van het menselijk voortplantingsstelsel noemen en hun functie beschrijven; 
  • de menstruatiecyclus beschrijven; 
  • de belangrijkste voorbehoedsmiddelen noemen en hun werking beschrijven. 

Kernbegrippen: primaire, secundaire, zaadcellen, eicellen, menstruatie, ongesteldheid, bevruchting, embryo (vrucht), placenta, navelstreng, vruchtvliezen, vruchtwater, foetus, bevalling, voorbehoedsmiddelen, condoom, anticonceptiepil, sterilisatie, spiraaltje, pessarium.

07 Groei en verzorging

Na deze les kunnen de studenten:

  • uitleggen hoe de ontwikkeling bij de mens en andere zoogdieren voor en na de geboorte verloopt; 
  • van verschillende organismen stadia van levenscycli beschrijven en de daarbij passende begrippen gebruiken; 
  • uitleggen hoe dieren hun eieren en/of jongen verzorgen; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: volledige en onvolledige metamorfose, levenscycli, ouderzorg, broedzorg, nestvlieders en nestblijvers, koningin, dar, werkster.

08 Spijsverteringsstelsel en uitscheidingsstelsel

Na deze les kunnen de studenten:

  • uitleggen hoe het spijsverteringsstelsel werkt; 
  • bij het spijsverteringsstelsel betrokken organen benoemen en de functie en werking toelichten;  
  • uitleggen hoe het uitscheidingsstelsel werkt (nieren, blaas, huid); 

Kernbegrippen: verteren, speeksel, chemische vertering, slokdarm, peristaltische beweging, maag, maagsap, eiwitten, enzymen, zoutzuur, twaalfvingerige darm, dunne darm, gal, alvleessap, lever, galblaas, alvleesklier, darmplooien, darmvlokken, dikke darm, bacteriën, endeldarm, anus, huid, longen, nieren, nierschors, niermerg, urine, nierbekken, urineleider, blaas, sluitspier, lichaamstemperatuur, zweet.

09 Bloedsomloop

Na deze les kunnen de studenten:

  • toelichten dat processen als ademhaling, transport, stofwisseling en uitscheiding met elkaar samenhangen en nodig zijn voor het in leven blijven van planten, dieren en de mens;
  • uitleggen hoe de bloedsomloop werkt;
  • bij de bloedsomloop betrokken organen benoemen en de functie en werking toelichten.

Kernbegrippen:bloedcellen, bloedplaatjes, bloedplasma, rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes, bloedvatenstelsel, slagaders, adres, haarvaten, hart, kransslagaders, kransadres, boezem, kamer, hartkleppen, bloedsomloop, dubbel bloedsomloop, kleine bloedsomloop, grote bloedsomloop.

10 Skelet en spieren

Na deze les kunnen de studenten:

  • bij beweging betrokken organen benoemen en de functie en werking toelichten. 

Kernbegrippen: schedel, wervelkolom, borstkas, romp, ledematen, schoudergordel, bekkengordel, beenderen, gewricht, kogelgewricht, scharniergewricht, pezen, antagonisten, willekeurige en onwillekeurige spieren, gladde spieren, dwarsgestreepte spieren.

11 Ademhalingsstelsel

Na deze les kunnen de studenten:

  • het proces van ademhaling bij verschillende organismen beschrijven; 
  • het ademhalingsproces bij de mens beschrijven; 
  • de belangrijkste weefsels en organen die van belang zijn voor de ademhaling noemen en uitleggen welke functie zij hebben; 
  • toelichten welke stofwisseling plaatsvindt tijdens de ademhaling en verklaren waarom dat van belang is voor het in leven blijven van het organisme. 

Kernbegrippen: borstademhaling, middenrif, middenrifademhaling, buikademhaling, hoofdbronchiën, longen, longtrechtertjes, longblaasjes, koolstofdioxide, slijmvlies, trilharen, neusademhaling, mondademhaling, reukzintuig, luchtzakken, huidademhaling, kieuwen, tracheeën.

12 Zenuwstelsel

Na deze les kunnen de studenten:

  • functies en onderdelen van het zenuwstelsel benoemen en de werking toelichten. 

Kernbegrippen: centrale zenuwstelsel, zenuwcellen, zenuwen, impulsen, grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam, gevoelszenuwen, bewegingszenuwen, reflex. 

13 Zintuigen 

Na deze les kunnen de studenten:

  • de functies van de zintuigen benoemen en de werking van de verschillende zintuigen beschrijven; 
  • de rol van zintuigen bij dieren en de mens uitleggen in relatie tot hun gedrag. 

Kernbegrippen: oorschelp, gehoorgang, trommelvlies, gehoorbeentjes, slakkenhuis, gehoorzenuw, evenwichtsorgaan, hoornvlies, bindvlies, pupil, lens, accommoderen, glasachtig lichaam, netvlies, staafjes, kegeltjes, oogzenuw, gele vlek, blinde vlek, smaakpapillen, reukslijmvlies, reukzintuig, tastzintuigen, braille, roofdieren, prooidieren, sprieten, samengestelde ogen.

14 Gezonde voeding

Na deze les kunnen de studenten:

  • uitleggen welke functies voedselbestanddelen hebben bij de instandhouding van het organisme; 
  • de samenstelling van een gezond voedingspakket toelichten. 

Kernbegrippen: koolhydraten, brandstoffen, vetten, verzadigde vetten, onverzadigde vetten, eiwitten, bouwstoffen, vitamines, beschermende stoffen, mineralen, water, voedingsvezels, ballaststoffen, overgewicht, overvoed, ondervoeding.

15 Erfelijkheid

Na deze les kunnen de studenten:

  • het ontstaan van geslachtscellen beschrijven aan de hand van het verschil tussen een dubbele set en een enkelvoudige set chromosomen; 
  • de rol van chromosomen bij het overdragen van erfelijke eigenschappen op nakomelingen toelichten; 
  • uitleggen dat de erfelijke aanleg en de interactie met de omgeving de ontwikkeling van een organisme bepalen; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: meiose, DNA, gen, erfelijke eigenschappen, erfelijkheid, dominant, recessief, X- en Y- chromosoom, fenotype, genotype, erfelijke aanleg.

16 Evolutie

Na deze les kunnen de studenten:

  • beschrijven wat evolutie is; 
  • beschrijven hoe soorten evolueren; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: Darwin, evolutie, biodiversiteit, fossiel, natuurlijke selectie, isolatie, genetische variatie, mutatie, genetische modificatie, kunstmatige selectie.

17 Aanpassingsgedrag

Na deze les kunnen de studenten:

  • een verband leggen tussen gedrag van organismen om zich te voeden, (voort) te bewegen, voort te planten, te verdedigen en te beschermen enerzijds en de rol van hun omgeving daarin anderzijds; 
  • verschillende vormen van adaptatie beschrijven de functie ervan uitleggen; 
  • uitleggen hoe het menselijk lichaam reageert op lichaamsvreemde stoffen en welke organen daarbij een rol spelen. 

Kernbegrippen: adaptatie, natuurlijke selectie, evolutie, mimicry, winterslaap, vogeltrek, lichaamsvreemde stoffen, afweersysteem, immuunsysteem, zwezerik, mechanische barrière.

18 Fotosynthese

Na deze les kunnen de studenten:

  • toelichten dat stofwisselingsprocessen zich afspelen in cellen; 
  • uitleggen dat fotosynthese een voorwaarde is voor het voortbestaan van het leven op aarde; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: stofwisseling, assimilatie, dissimilatie, fotosynthese, koolzuurgas, zuurstof, broeikaseffect

19 Voedselketen

Na deze les kunnen de studenten:

  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: voedselketen, predator-prooi-relatie, voedselweb, herbivoor, carnivoor, omnivoor.

20 Ecosystemen

Na deze les kunnen de studenten:

  • beschrijven dat een ecosysteem het geheel is van biotische factoren (organismen) en a-biotische factoren (omgeving) die in wisselwerking zijn. 
  • uitleggen dat een ecosysteem in stand wordt gehouden door de interacties van planten, dieren en de mens met elkaar en hun omgeving en dat hierdoor een dynamisch evenwicht ontstaat. 

Kernbegrippen: ecosysteem, biotische factoren, abiotische factoren, evenwicht.

21 Fasen

Na deze les kunnen de studenten:

  • de fase en de faseverandering van stoffen herkennen en benoemen; 
  • uitleggen of daar energie voor nodig is of bij vrij komt; 
  • het voorkomen van stoffen in een bepaalde fase beschrijven aan de hand van de beweging van moleculen; 
  • zuivere stoffen en soorten mengsels beschrijven; 
  • uitleggen hoe mengsels met scheidingstechnieken te scheiden zijn. 

Kernbegrippen: moleculen, fasen, gas, vast, vloeibaar, verdampen, kookpunt, condenseren, stollen, smelten, smeltpunt, rijpen, sublimeren, zuivere stoffen, mengsels, suspensie, oplossing, legering, gasmengsel, bezinken, afschenken, filtreren, zeven, indampen, residu, destilleren.

22 Eigenschappen van materialen

Na deze les kunnen de studenten:

  • materialen ordenen aan de hand van een aantal gegeven fysische eigenschappen; 
  • van een product benoemen uit welke materialen het is samengesteld; 
  • bij een ontwerpvoorstel een verband leggen tussen de keuze van het materiaal en de vorm en functie van het onderwerp. 

Kernbegrippen: dichtheid, brandbaar, geleiden, smeltpunt, oplosbaar, vormbaar, breekbaar, flexibel.

23 Energie

Na deze les kunnen de studenten:

  • diverse vormen van (duurzame) energie en energiebronnen onderscheiden; 
  • beschrijven op welke manieren warmtetransport kan plaatsvinden of voorkomen kan worden; 
  • uitleggen hoe verschillende vormen van energie in elkaar omgezet kunnen worden en toelichten dat daarbij nooit energie verloren gaat; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: bewegingsenergie, potentiele energie, kernenergie, elektrische energie, chemische energie, geluid, licht, warmte, straling, brandstoffen, duurzame energie, warmtegeleiding, warmtestroming, warmtestraling, warmte-isolatie, energieomzetting.

24 Elektriciteit

Na deze les kunnen de studenten:

  • statische elektriciteit beschrijven; 
  • een spanningsbron herkennen als energiebron; 
  • een stroomkring beschrijven; 
  • magnetisme beschrijven; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: batterij, accu, stroomkring, parallelschakeling, serieschakeling, spanning, stroomsterkte, weerstand, magneet.

25 Licht en kleur

Na deze les kunnen de studenten:

  • enkele lichtbronnen noemen en de voortplanting en eigenschappen van licht beschrijven; 
  • van een voorwerp dat vóór een vlakke spiegel staat, met een constructietekening uitleggen waar zich het spiegelbeeld bevindt; 
  • uitleggen dat zichtbaar licht samengesteld is uit primaire licht kleuren (rood, groen en blauw); 
  • beschrijven dat verschillende lichtkleuren zijn samengesteld uit combinaties van primaire lichtkleuren; 
  • beschrijven dat voorwerpen bepaalde kleuren licht absorberen dan wel reflecteren en dat op basis daarvan de waargenomen kleuren van een voorwerp verklaard kunnen worden. 

Kernbegrippen: lichtbron, natuurlijke lichtbronnen, kunstmatige lichtbronnen, kleurenspectrum, weerkaatsen, absorberen, lichtbundel, lichtstralen, schaduw, kernschaduw, halfschaduw, normaal, spiegelwet.

26 Lichtbreking

Na deze les kunnen de studenten:

  • uitleggen dat licht breekt bij de overgang van lucht naar glas/water en van glas/water naar lucht; 
  • de brandpuntsafstand van een bolle lens en een holle lens construeren en beredeneren; 
  • het natuurverschijnsel regenboog verklaren; 
  • de kernbegrippen beschrijven.

Kernbegrippen: lichtbreking, normaal (als hulplijn), medium, lichtsnelheid, prisma, bolle lens, holle lens, brandpunt, brandpuntsafstand.

27 Geluid

Na deze les kunnen de studenten:

  • enkele geluidsbronnen noemen; 
  • de eigenschappen van geluid en de manier van voortplanten van geluid beschrijven; 
  • een grafische voorstelling van geluid interpreteren. 

Kernbegrippen: geluidsgolven, medium, microfoon, oscilloscoop, frequentie, Hertz, amplitude, decibel, bereik, beschadiging.

28 Krachten

Na deze les kunnen de studenten:

  • soorten krachten herkennen in verschillende situaties; 
  • krachten tekenen die werken op een voorwerp, de resulterende kracht herkennen en contactkrachten en krachten die op afstand werken onderscheiden; 
  • de druk van een voorwerp berekenen als een kracht per oppervlakte-eenheid; 
  • verklaren dat wanneer een voorwerp in rust is of met een constante snelheid beweegt, de krachten op het voorwerp elkaar in evenwicht houden (de resulterende kracht is gelijk aan nul); 
  • uitleggen dat het versnellen of vertragen en/of van richting veranderen van een voorwerp veroorzaakt wordt door een werkende (resulterende) kracht; 
  • zinken, zweven en drijven van voorwerpen in vloeistoffen met verschillende dichtheid verklaren als een resulterende kracht van zwaartekracht en opwaartse kracht; 
  • uitleggen dat bewegingen en krachten overgebracht kunnen worden door middel van (tand)wielen, hefbomen en katrollen en dat daarbij krachten worden vergroot, verkleind of van richting worden veranderd en bewegingen worden versneld, vertraagd of van richting worden veranderd. 

Kernbegrippen: spierkracht, krachten, hefboom, katrol, overbrenging, tandwiel, draairichting, opwaartse kracht, zwaartekracht, drijven, zinken, dichtheid.

29 Meten en waarnemen

Na deze les kunnen de studenten:

  • een elektrische huisinstallatie met een kWh-meter en aangesloten apparaten beschrijven en het energieverbruik berekenen op basis van vermogen van apparaten; 
  • weersverschijnselen beschrijven en meetinstrumenten en meetgegevens gebruiken; 
  • de kernbegrippen beschrijven. 

Kernbegrippen: kWh (kilowattuur), randaarde, zekeringen, aardlekschakelaar, elektriciteitstarief, energieverbruik, invoer, uitvoer, sensor, verwerking, thermometer, luchtdruk, barometer, windsnelheid, windmeter, windrichting, windvaan, regenmeter.

30 Ons zonnestelsel

Na deze les kunnen de studenten:

  • het zonnestelsel beschrijven als een samenhangend systeem van de zon en zich daar omheen bewegende planeten en manen; 
  • uitleggen hoe de beweging van de aarde om de zon en van de maan om de aarde natuurverschijnselen kunnen veroorzaken. 

Kernbegrippen: planeten, manen, satellieten, zonnestelsel, de Melkweg, hemellichamen, zwaartekracht, eb en vloed, baan, aardas, dag- en nachtritme, seizoenen, evenaar, schijngestalten, nieuwe maan, volle maan, zonsverduistering, maansverduistering.